Mijn verhaal: Sonia verloor drie kindjes kort na de geboorte

Door -
mijn verhaal
©GettyImages
.

Sonia (65): “Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan mijn kindjes denk. Als ze gezond waren geweest zou ik nu vier dochters hebben, van 47, 46, 44 en 41 jaar oud. Ze volgden elkaar mooi op. Ik was zeventien toen ik zwanger werd, een ongelukje. Maar ik wist altijd al dat ik kinderen wilde, ik vond het niet erg. Ik trouwde, en ik ben nog tot de dag van de bevalling naar school gegaan.

“In die tijd lieten ze je geen afscheid nemen. Ik mocht mijn kindje zelfs geen naam geven. In ons trouwboekje stond: levenloos, vrouwelijk, wettig”

Het vreselijkste aan de geboorte van mijn eerste dochtertje is dat ik haar niet eens heb kunnen zien. De dokters zagen dat er iets mis was en namen haar meteen mee. Mijn man is meegegaan. Toen ze mij terug naar mijn kamer brachten, zat hij in een hoek te wenen en zei: ‘Ze is overleden’. Dat is een film die altijd opnieuw, nu nog, door mijn hoofd speelt.

In die tijd lieten ze je geen afscheid nemen. Een kindje dat niet levensvatbaar geboren werd, kreeg niet eens een naam. In ons trouwboekje stond: levenloos, vrouwelijk, wettig. Normaal gezien zou ze via het ziekenhuis begraven worden – we zouden niet eens weten waar het grafje was – maar we hebben mijn vader en schoonvader gevraagd om samen met mijn man ons kindje te begraven. Vanuit mijn ziekenhuiskamer zag ik hen achter de lijkwagen lopen. Op dat moment de drie eenzaamste mensen die er bestonden. Ik mocht niet mee van de dokters.

In 1999 kwam er een wet waardoor je met terugwerkende kracht je kindje een naam kon geven. Ik heb dat meteen gedaan. Vicky zou in november 47 geworden zijn.

“Van Cindy heb ik wel afscheid kunnen nemen, en dat hielp bij de verwerking”

Een maand later was ik opnieuw zwanger. Toen Cindy geboren werd, was ik dolgelukkig. Maar op een dag merkte ik dat een zijkant van haar lichaampje dikker was. ‘Gas’, zei de dokter. Achteraf hoorden we dat de dokters hadden afgesproken dat ze niet zouden zeggen wat er aan de hand was, dat ze ons nog die paar gelukkige weken wilden gunnen. De juiste beslissing? Ik weet het niet. Intuïtief wist ik wel dat er iets mis was. Vijf weken heb ik dag en nacht met haar rondgelopen. Achteraf gezien moet ze veel pijn gehad hebben en dat hadden we misschien kunnen vermijden. Cindy leefde drie maanden. Ik heb haar zelf gewassen en mooie kleertjes aangedaan. Ze is thuisgebleven tot de avond voor de uitvaart. Ik heb haar zelf in het kistje gelegd en het deksel dichtgedaan. Van haar heb ik op die manier wel afscheid kunnen nemen, en dat hielp bij de verwerking.

Na Cindy’s overlijden werd er een genetisch onderzoek gedaan. Toen kwam het verdict: mijn beide dochtertjes hadden polycysteuze nieren, een aangeboren ziekte. Kreeg ik nog een kind, dan was de kans een op vier dat het gezond zou zijn, een op vier dat het meteen na de geboorte zou sterven en twee kansen op vier dat het maar drie maanden zou leven. We hebben ervoor gekozen om het risico te nemen.

Toen ik voor de derde keer zwanger werd, sprak ik met de kinderarts af dat we het kindje niet mee naar huis zouden nemen vooraleer het onderzocht was. Dan zouden we er ons niet te veel aan hechten, dachten we. Ons dochtertje is na de geboorte drie weken in het ziekenhuis gebleven voor testen, maar ze bleek gezond. 44 wordt ze nu.

“Toen ik al die miserie in die kamertjes zag, besefte ik: wij hebben een groot kruis te dragen, maar het had nog veel groter kunnen zijn”

Ik werd nog een vierde keer zwanger. Dat werd me bijna fataal: in de vijfde maand kreeg de baby nierproblemen en was ik mezelf aan het vergiftigen. Fanny werd in de zesde maand geboren. Ze heeft tien uren geleefd. De verpleegster kwam binnen, ze deed haar mondstukje af en ik zei:’ Je moet het niet meer zeggen, ik weet genoeg’.

Drie weken later begon ik hevig te bloeden. Ik werd met spoed opgenomen, maar ze vonden niets. ‘Het zit in haar hoofd,’ zei de arts tegen mijn vader, ‘ze wil niet meer leven.’ Dat was ook zo, ik was op. Maar op de afdeling waar ik lag, was een deur met verboden toegang. ‘Wat is daar?’ vroeg ik aan de dokter. ‘Daar liggen heel zieke kinderen’. ‘Mag ik daarnaartoe als er geen bezoekuur is?’ De dokter zei ja, en dat is mijn redding geweest. Toen ik al die miserie in die kamertjes zag, besefte ik: wij hebben een groot kruis te dragen, maar het had nog veel groter kunnen zijn.’

“Ik geloof dat je echt kunt sterven aan een gebroken hart”

Verdriet maakt je zo eenzaam, omdat je er met bijna niemand over kunt praten. Ook mijn man wilde er niet over praten, nog steeds niet. Het heeft zwaar gewogen op ons huwelijk.

In het begin huilde ik elke dag. Het verdriet bleef, maar het veranderde. Het werd lichter, dat moet, anders ga je eraan kapot. Ik geloof dat je echt kunt sterven aan een gebroken hart. Jaren ging ik elke week naar het kerkhof. ‘Ik ben groot geworden op het kerkhof’, zei mijn dochter ooit. Op verjaardagen en overlijdensdagen van de kindjes nam ik verlof. Dan ging ik naar het graf, poetste het, ging bloemen zetten.

Veel vrienden haken af als je zo’n zwaar verlies meemaakt. Ze zijn bang, weten niet wat te zeggen. Terwijl een telefoontje, een bezoekje zoveel deugd kan doen. Vandaag heb ik goede vriendinnen die het begrijpen. ‘Morgen een slechte dag zeker?’, zeggen ze. En dan zeg ik ‘ja’, en dan babbelen we er eens over.”

Tekst: Isabelle Rossaert

MEER PERSOONLIJKE VERHALEN:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief (onderaan de homepage) om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

LEAVE A REPLY

Please enter your comment!
Please enter your name here