Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten
Getty Images

Hoogbegaafdheid: “Heb oog voor de onderpresteerders!”

Een hoogbegaafd kind is niet altijd een Einstein die de hoogste scores haalt in de klas. Integendeel! Heel wat van deze kinderen gaan net onderpresteren en worden hierdoor niet opgemerkt. Dat is heel erg jammer en hier moet dringend verandering in komen. Maar hoe herken je onderpresteerders? Dat vroegen we aan Tamara Straetemans, experte hoogbegaafdheid en ervaringsdeskundige.

Tamara Straetemans is niet enkel specialiste hoogbegaafdheid in haar praktijk Altamente, maar vooral ook een hoogbegaafde moeder van twee hoogbegaafde zonen. Ze weet dus als geen ander wat het is en wat het met jou en je kinderen doet.

Hoogbegaafd?

“Hoogbegaafdheid is het hoge cognitieve potentieel om veel te kunnen met je hersenen, maar er zit natuurlijk veel meer rond”, legt Tamara uit. “We zien ook een algemene intensiteit bij hoogbegaafden, op alle mogelijke vlakken. Ze zijn heel intensief, wat heel mooi is als ze goed ondersteund worden, maar dat kan ook voor moeilijkheden zorgen.

“Het idee dat hoogbegaafde kinderen er vanzelf komen klopt niet.”

Je voelt je anders, waardoor gewone omgevingen niet altijd passen. Zoals de school bijvoorbeeld. Die is ingericht voor gemiddelde leerlingen waardoor een hoogbegaafd kind zich er niet altijd op zijn gemak voelt. Het idee dat hoogbegaafde kinderen er vanzelf komen omdat ze slim zijn, klopt in de meeste gevallen niet. Niet allemaal, maar een groot deel hoogbegaafden loopt ergens vast omdat de omgeving niet aangepast is en anderen hen niet begrijpen.”

Wat is dat dan, onderpresteren?

“Weet je dat een kind hoogbegaafd is en gaan de resultaten erg achteruit bijvoorbeeld in het middelbaar? Dan weet je dat je kind aan het onderpresteren is”, vertelt Tamara. “Weet je echter niet dat het om een hoogbegaafd kind gaat, dan zal men vaak op dat moment zijn verwachtingen bijstellen. De ouders dachten dat hun kind best pienter was, maar nu blijkt dat toch minder dan verwacht. Ook het kind doet hetzelfde met zijn zelfbeeld en denkt dat hij toch niet zo slim is.

Zelfs de leerkrachten redeneren op dezelfde manier. Ze zagen een pientere kleuter, maar zien nu een heel gemiddeld kind. Ze zien de hoogbegaafdheid niet, maar het onderpresteren ook niet. Het kind kan, zelfs als het aan het onderpresteren is, nog goede punten behalen. Onderpresteren staat niet gelijk aan slechte punten. Het betekent dat je structureel minder goed presteert dan je zou verwachten.”

Absoluut of relatief onderpresteren

“Er zijn twee soorten van onderpresteren”, vult Tamara aan. “Je hebt enerzijds absoluut onderpresteren, waarbij je als leerling onder de norm zakt en onvoldoendes haalt. Maar je kunt ook onderpresteren en nog steeds goede punten halen omdat de leerstof zo gemakkelijk is. Dat noemen we relatief onderpresteren. Je laat niet zien wat je werkelijk kunt. Die kinderen halen een 7 of 8 op hun rapport en lijken geen problemen te hebben.

“Je kunt ook onderpresteren en nog steeds goede punten halen”

Ik ben hier zelf een mooi voorbeeld van. Je haalt heel mooie punten in het lager onderwijs, want alles gaat vanzelf. Als je oplet in de klas, kom je er wel. Tot je in het middelbaar komt, waar er gewerkt moet worden en duidelijk wordt dat je niet weet hoe je eraan moet beginnen. Je hebt die vaardigheden niet en je hebt bovendien nooit geleerd om hulp te vragen. Met in de meeste gevallen het bekende watervalsysteem als gevolg. Je probeert het in een lagere richting, maar ook daar ga je na een tijdje moeten werken, waardoor je ook hier faalt.”

Oorzaken van onderpresteren

Hoe komt het nu dat kinderen gaan onderpresteren? “Er is een belangrijke mismatch tussen het cognitief sterke kind en het schoolse aanbod”, legt Tamara uit. “Dat is het grootste probleem. Maar onderzoek heeft ook aangetoond dat er drie dingen zijn die een kind nodig heeft om goed te presteren:

  • Geloof in eigen kunnen. Kinderen moeten geloven dat ze in staat zijn om goede prestaties te leveren en te groeien in hun vaardigheden.
  • Gepast materiaal. De leerstof moet betekenisvol zijn. Het moet nuttig en interessant zijn en aangepast aan jouw niveau. Als het te gemakkelijk is, haak je af. Maar ook als het te moeilijk is of compleet nutteloos in jouw ogen haak je af. Hier ligt een belangrijke taak voor leerkrachten: de leerstof moet op het juiste niveau aangeboden worden en gelinkt zijn aan de leefwereld van de kinderen.
  • Steun en de waardering van je omgeving. Als je inspanning niet gezien wordt en niemand is geïnteresseerd in wat jij doet op school, haak je af. Ook als je leerkracht niet geïnteresseerd is als jij iets extra’s te vertellen hebt. Eigenlijk is het heel simpel: je moet gezien worden!

Die drie factoren zijn heel belangrijk. Als er in een van de drie iets misloopt, kan het kind gaan onderpresteren.

Luie en ongeïnteresseerde leerlingen, of onderpresteerders?

Er heersen heel wat misvattingen over hoogbegaafde kinderen en zeker als ze onderpresteren. “Dat klopt helemaal”, zegt Tamara. “Onderpresteerders worden heel vaak gezien als lui, als iemand die geen moeite doet. Als we op dat moment weten dat het om een hoogbegaafd kind gaat, moeten we verder durven kijken en het kind extra uitdagen.

Dat klinkt heel contradictorisch en dat zie je ook in de reacties van de leerkrachten. Als het kind het gewone werk niet kan of wil doen, waarom zou je dan complexer werk geven? Daar loopt het vaak mis in de praktijk. De leerkracht wil dat het kind eerst de simpele oefeningen doet, terwijl het kind het net nodig heeft om gemotiveerd en uitgedaagd te worden met iets dat hem interesseert en waar hij moeite voor wil doen.”

Hoe herken je onderpresteerders?

“Dat is absoluut niet eenvoudig”, geeft Tamara toe. “Je hebt ook verschillende soorten onderpresteerders. Je hebt er die heel afwezig naar buiten zitten te staren of de hele tijd stiekem op hun smartphone kijken. Maar je hebt er ook die heel rebels zijn, discussies aangaan en de klas storen. Of het kan net zo goed gaan om het flinke meisje dat braaf haar vinger opsteekt. Er bestaat geen eenduidig profiel van de onderpresteerder.”

“Sommigen zijn afwezig, anderen erg rebels en nog anderen net erg flink in de klas.”

“Er zijn wel een aantal alarmsignalen”, gaat Tamara verder. “Als een kind moeite heeft met inspanningen doen bijvoorbeeld, moet je op je hoede zijn. Vaak is dat een gevolg van faalangst. Als ze moeite doen en het lukt hen nog niet om goede resultaten te halen, zien ze dat als falen. Ze doen dus liever geen moeite, want dan is het heel normaal dat ze slechte scores halen. Deze leerlingen hebben vaak ook een gebrek aan doorzettingsvermogen. Ze hadden dit lange tijd niet nodig en hebben het dus niet geoefend zoals andere leerlingen.”

“Nog een belangrijk punt is plotse verandering”, legt Tamara uit. “Als een kind als peuter of kleuter heel leergierig en gemotiveerd was en dat verdwijnt ineens, is dat een signaal dat er iets niet klopt. Als leerkracht is dat natuurlijk moeilijk om te zien, omdat je de kinderen slechts een jaar in je klas hebt.

Het is dus erg belangrijk dat leerkrachten en ouders anders gaan communiceren. Op een oudercontact gaat het meestal over wat de leerkracht ziet, maar eigenlijk moeten de ouders ook vertellen hoe hun kind thuis is en waar het verschil zit. Het is namelijk zo dat veel van die onderpresteerders een hobby hebben waarin ze wel presteren en wel inzet en doorzettingsvermogen tonen. Jammer genoeg zijn er ook die overal hun motivatie verliezen.”

Hoe ga je onderpresteerders uitdagen?

Wat kun je doen als leerkracht om hoogbegaafde kinderen extra uit te dagen? “Er bestaan verschillende systemen die werken”, aldus Tamara. “Voor snelle leerlingen kun je best de instructie inkorten, waardoor zij meteen aan de verwerking kunnen beginnen. Is dat in orde? Dan kunnen ze meteen door naar de verrijking. Het is belangrijk dat deze leerlingen ook de hulp krijgen van de leerkracht. Als de rest van de klas aan het werk is na de uitgebreide instructie, kun jij die snellere leerling helpen.”

“Een bijkomend probleem bij de onderpresteerders is dat zij vaak niet gemotiveerd en niet geïnteresseerd zijn in uitdaging” legt Tamara uit. “Het werkt vaak wel als je in hun interessegebied gaat werken. Zijn ze thuis vaak bezig met computers, bijvoorbeeld? Richt je aanbod dan op programmeren bijvoorbeeld.”

“Zit het kind echt te diep, dan kan de school dat niet alleen oplossen en heb je externe begeleiding nodig”, geeft Tamara aan.” In deze gevallen moet je erg voorzichtig te werk gaan, want deze kinderen hebben nooit een positieve ervaring gehad na een schoolse inspanning. Sommige leerlingen schieten meteen in paniek op het moment dat ze het niet meer zelf kunnen, net omdat ze nooit hebben moeten leren. Hier is een één-op-één begeleiding nodig en zal je tevreden moeten zijn met heel kleine stapjes vooruit.

Wil en kennis bij leerkrachten

“Er is helaas geen mirakeloplossing voor deze onderpresteerders. Voorkomen is ook in dit geval veel beter dan genezen”, zegt Tamara. “Er is voldoende wil en motivatie, maar helaas een tekort aan kennis bij de leerkrachten. Zelfs vandaag nog zit hoogbegaafdheid niet of nauwelijks in de basisopleiding. Ze zijn eigenlijk niet gewapend om er op een gepaste manier mee om te gaan en dat is een heel groot probleem.”

“Er bestaan, ook bij de leerkrachten, nog zoveel misvattingen over hoogbegaafde kinderen, wat maakt dat ze niet herkend worden. Niet elk hoogbegaafd kind leert zichzelf lezen of heeft schitterende punten. Ze scoren ook niet altijd 130 op een IQ-test, terwijl veel scholen pas in actie schieten als dat ene cijfertje er staat. Een IQ-score is altijd een minimumscore en er zijn verschillende redenen waarom een kind geen juiste score haalt op een test. Zeker als je een onderpresteerder gaat testen, want die zal hier ook vaak onderpresteren. Bekijk je als leerkracht enkel deze score, dan is dat heel erg spijtig. Je moet het kind willen zien zoals het is.”

“Je stopt toch ook niet alle kinderen van 8 jaar in kledingmaat 128?”

“Ik wil tenslotte nog graag meegeven dat elk kind evenveel kansen moet krijgen”, voegt Tamara toe. “Zowel diegenen die zwakker zijn als diegenen die wat sterker of sneller zijn. Ik hoorde onlangs een mooie vergelijking aan de hand van de kleren. Stel dat een gemiddeld kind van 8 jaar kledingmaat 128 draagt, gaan we dan alle kinderen van 8 jaar oud in een 128 stoppen? Is je kind toevallig groter of kleiner, dan heb je pech gehad? Het ene kind verzuipt in zijn kleren, het andere kind past mooi in de kleren en nog een ander kind barst uit zijn kleren. Dat is te belachelijk voor woorden en toch is dit precies wat we met ons onderwijs doen. De kinderen die meer nodig hebben, laten we in die kleren rondlopen die te klein zijn en ze moeten er maar tevreden mee zijn. Ik vind dat we dringend verder moeten durven kijken.”

Zeker ook lezen:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief (onderaan de homepage) om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!