‘Scheelzien’: wat is het en wat doe je eraan?

Lang geleden waren kinderen met 'strabisme' (in de volksmond bekend als 'scheelzien') gedoemd om voor altijd loensend door het leven te gaan. De voorbije 50 jaar werd in oog-en zichtcorrectie echter een spectaculaire vooruitgang geboekt. Steeds vaker zie je kleine peuters, baby's zelfs, die een hip corrigerend brilletje dragen. Strabisme is dus goed te verhelpen en hoe vroeger je ingrijpt, hoe groter de kans om later een perfect parallel zicht te ontwikkelen.

Wat is ‘scheelzien’ juist?

De meeste ‘scheelzienertjes’ worden met deze aandoening geboren. In de eerste levensjaren wordt al duidelijk dat er een probleem is met de oogcoördinatie. Het scheelzien zelf is een afwijking aan het parallellisme van de twee oogassen. Er zijn ook verschillende vormen van ‘scheelzien’. Wijkt het rechteroog bijvoorbeeld af om dubbelzien te voorkomen, dan zal het kind enkel het beeld dat door het rechteroog geregistreerd wordt, behouden. Een dergelijke aandoening noemt men amblyopie of een ‘lui oog’. Het ‘luie oog’ ontwikkelt zich niet naar behoren en verliest na een tijd zijn visueel vermogen.

Ook ‘klein strabisme’ is een veelvoorkomende afwijking. Hierbij trachten de hersenen twee licht verschillende beelden te registreren die de ogen op verschillende plaatsen van de beide netvliezen hebben opgenomen. Helaas valt klein strabisme moeilijker op te sporen dan amblyopie.

Welke types van ‘scheelzien’ onderscheidt men?

In het strabisme onderscheidt men twee hoofdtypes:

  • strabismus convergens of scheelzien naar binnen. Dit komt voornamelijk voor bij de jongste kinderen. De behandeling bestaat er meestal in het goed functionerende oog een deel van de dag of zelfs de hele dag af te plakken. Men noemt dit afdekken van het ene oog een occlusiebehandeling (soms wordt het goedfunctionerende oog ook ingedruppeld). Het ‘slecht functionerende’ oog is dan gedwongen alle werk op zich te nemen. In meer dan 90 % van de gevallen is deze behandeling voldoende om het zicht te corrigeren. Bij de overige 10 % van de kinderen volgt er eveneens oogrevalidatie: de spieren van het ‘slechte’ oog moeten bepaalde oefeningen doen. Dit kan pas vanaf een leeftijd van 4 à 5 jaar.
  • strabismus divergens of scheelzien naar buiten. Dit komt in mindere mate voor, en treft voornamelijk oudere kinderen en volwassenen. Scheelzien naar buiten wordt chirurgisch behandeld wanneer ‘decompensatie’ van het ene oog ten opzichte van het andere vastgesteld wordt.

Het ‘zit in de familie’

Helaas is scheelzien vaak erfelijk, wat betekent dat als vader of moeder vroeger scheelzag, de kans reëel is dat ook de kinderen met dit probleem zullen zitten. In 65 % van de gevallen ligt erfelijkheid dan ook aan de oorsprong van scheelzien bij kinderen. Daarom is het aangewezen om kinderen met een familiale geschiedenis inzake oogproblemen extra opte volgen. Op de leeftijd van 6 maanden worden alle kinderen sowieso aan een verplichte screening onderworpen. Deze wordt uitgevoerd door de huisarts of de kinderarts om fixatiestoornissen, uitgesproken strabisme en uitwendig zichtbare oogafwijkingen op te sporen. Waarom na 6 maanden? Omdat de baby dan pas over een goede oogcoördinatie dient te beschikken. Indien er twijfels ontstaan, zullen de tests rond de leeftijd van 18 maanden nogmaals uitgevoerd worden. Vanaf dan kan het dragen van een bril een optie worden. Tussen de derde en de vierde verjaardag van het kind volgt dan weer een nieuw, uitvoerig onderzoek.

Een chirurgische ingreep of niet?

In sommige gevallen van scheelzien is een operatie noodzakelijk. De oftalmoloog of oogarts gaat dan na welk type chirurgie het meest aangewezen is. Tijdens de operatie wordt er gewerkt aan de oculomotore spieren, niet aan het oog zelf. In 80 % van de gevallen volstaat een eerste ingreep om het oog te corrigeren, maar soms is een volgende ingreep nodig om een volledig resultaat te bekomen. In sommige gevallen vindt de operatie al zeer vroeg plaats, nog voor de achttiende levensmaand van het kind.