Mijn verhaal: Inge moest haar zwangerschap afbreken op 25 weken

Door -
zwangerschap afbreken
©GettyImages
Als Inge en Kris te horen krijgen dat hun ongeboren dochter een zware hartafwijking heeft, moeten ze de keuze maken die geen enkele ouder ooit wil maken.

Wanneer ik aanbel bij Inge, is het dochtertje Wis (6) die enthousiast de deur opendoet. Nog voor ik Inge goed en wel kan begroeten, troont Wis me mee naar haar speelhoek in de woonkamer en krijg ik een rondleiding langs al haar poppen en het prinsessen-Playmobilkasteel. Plots loopt ze naar de kast en zegt: ‘En dit is mijn zus’, wijzend naar een foto van Stans. Ik schrik, want Stans ziet eruit als elke normale pasgeboren baby: mutsje op haar hoofdje, oogjes toegeknepen, handjes langs haar lichaampje. Een prachtig popje. Alleen: Stans leefde niet meer op het moment dat ze geboren werd, amper 24 weken oud. Want kort daarvoor hadden dokters een zware hartafwijking vastgesteld en hadden ze Inge en haar man Kris voor de hartverscheurende keuze gesteld: ga je door met deze zwangerschap en neem je het risico om een zwaar gehandicapt kind ter wereld te brengen? Of breek je ze af?

Inge (40): “Bij de controle op 20 weken kon onze gynaecoloog het hartje niet goed zien. Ze twijfelde, maar stuurde ons toch door naar een andere gynaecoloog voor een 3D-echo. Ik herinner me die dag van dat onderzoek nog heel goed. Kris had pijn aan zijn voet en er werd gevreesd voor reuma. ‘s Morgens hadden we eerst een afspraak in het ziekenhuis met een reuma-arts. Ik was heel zenuwachtig; reuma zit immers bij Kris in de familie. Na enkele onderzoeken bleek het gelukkig om iets heel banaals te gaan. Opgelucht reden we in de namiddag naar het andere ziekenhuis voor die 3D-echo. Ik was er gerust in: die man zou dat hartje wel kunnen zien, bevestigen dat het een meisje was – we hadden al een naam: Stans – en dan kon ik de dag erna de bestelling voor de suikerbonen doorgeven.

Ik ging in de stoel liggen, ontblootte mijn buik, de gynaecoloog begon te kijken. Alles zag er goed uit. Maar toen hij bij het hartje kwam, werd hij stil. Hij blééf maar kijken, zoeken, en nog eens, en nog eens. En toen vertelde hij wat hij zag: in plaats van vier kamers had Stans hartje er maar eentje en de aders zaten niet op de juiste plek. Het was echt helemaal fout.

De hemel viel op ons hoofd, dit hadden we niet verwacht.

De dokters wilden zo snel mogelijk in kaart brengen hoe erg het was, en de mallemolen schoot meteen in gang: extra onderzoeken, een vruchtwaterpunctie om te kijken of er ook genetische afwijkingen waren… De kindercardioloog legde ons intussen uit wat er precies mis was en wat gedaan kon worden na de geboorte. Haar uitleg – als ze zou overleven, zouden er tientallen operaties nodig zijn – drong niet door. In mijn hoofd reduceerde ik het tot een kleinigheidje, iets dat ze zouden ‘fiksen’ als Stans er was. Kris zei nog tegen mij: ‘Inge, het is geen blindedarmoperatie hé’, maar voor mij leek het peanuts.

De week erna zaten we opnieuw bij de gynaecoloog, deze keer met een andere kindercardioloog erbij. Omdat die man voelde dat ik niet doorhad waar het over ging, schetste hij ons het leven van Stans. Ze zou meteen na de geboorte geopereerd moeten worden, meerdere keren. Of en hoe ze erdoor zou komen, moest nog maar blijken. Sowieso zou ze het eerste jaar niet uit het ziekenhuis komen. In het allerbeste geval zou ze kunnen stappen, lopen zou onmogelijk zijn. Ze zou niet oud worden, al bleven ze vaag over de leeftijd. Zjef – onze zoon van 2,5 – zou groot worden in een gezin waar alles om zijn zusje zou draaien, één van ons zou altijd in het ziekenhuis zitten bij haar. Die man vertaalde de diagnose naar het echte leven, naar wat voor ons én voor haar de realiteit zou worden. Ik heb hen toen allebei gevraagd: ‘Als het jullie dochter was, zouden jullie haar dan houden?’ ‘Neen’, antwoordden ze. We zijn huilend naar huis gereden, en ‘s avonds hebben we beslist om de zwangerschap af te breken.”

Stampende voetjes

“Plots moest ik de begrafenis regelen van mijn dochter die nog in mijn buik zat. Het voelde alsof we in een nachtmerrie zaten, het was absurd. Ik wilde haar niet in een kistje leggen, dus begon ik op internet te zoeken naar de mogelijkheden. Ik kwam uit bij een firma in Apeldoorn waar ze rieten mandjes en kleertjes maken voor prematuurtjes en sterrenkindjes. Dus Kris en ik naar Apeldoorn voor zo’n mandje. Ik was maar bezig met details, het drong niet echt tot me door wat er gebeurde. ‘s Avonds lag ik in bed en voelde ik haar stampen in mijn buik. Ik wist dat ik haar moest afgeven, maar het klópte niet, ik voelde haar toch in me, ze was toch oké? Die kriebelende, stampende voetjes heb ik nog lang gevoeld, ook toen ze er niet meer was…

Een paar weken later, op 24 weken, ben ik bevallen in het ziekenhuis waar ik ook Zjef ter wereld had gebracht. Net voor de bevalling in gang gezet zou worden, moesten Kris en ik in een kamertje komen. ‘Het is hard’, zei de dokter, ‘maar ik moet van de moeder horen of ze ermee door wil gaan.’ Alleen van mij, niet van Kris. Alsof ík alleen verantwoordelijk was voor deze keuze. Het was één van de meest verschrikkelijke momenten van mijn leven, daar alleen ‘ja’ zeggen op de vraag of we Stans wilden laten aborteren – want dat woord gebruikten ze. Dat vond ik ook zo vreselijk. Het is misschien kort door de bocht, maar abortus associeer ik met kinderen die niet gewenst zijn omdat de tijd er niet naar is, of de situatie. Maar bij ons was het toch iets heel anders?

Stans heeft eerst euthanasie gekregen met een prik in haar hartje. Ze stopte met bewegen, ik voelde het leven weggaan. Daarna kreeg ik een vaginale pil om de bevalling op gang te brengen. Ik had verschrikkelijk veel pijn, maar ik wilde geen epidurale verdoving vragen, ik vond dat ik die niet verdiende. Tot Kris zei: ‘Stop met jezelf zo te straffen’. Uiteindelijk heb ik toch een ruggenprik gevraagd, en om 2 uur ‘s nachts is onze Stans geboren. Ze had zich net voor de bevalling nog gedraaid zodat ze er mooi uit kon, het voelde alsof we dit ‘samen’ hadden gedaan. De vroedvrouw heeft haar meteen bij mij gelegd, en ik ben beginnen vertellen tegen haar. Waarom we deze keuze gemaakt hadden, hoe trots we waren op haar, wat een fantastische broer ze had… In al mijn verdriet was dat een prachtig moment.

Ik had verschrikkelijk veel pijn, maar ik wilde geen epidurale verdoving vragen, ik vond dat ik die niet verdiende.

Na enkele uurtjes brachten ze Stans naar het mortuarium in het ziekenhuis, naar haar rieten mandje. Ik moest nog twee dagen op de materniteit blijven voor de nazorg. Ik was zo bang dat de verpleegsters en vroedvrouwen mij zouden veroordelen om wat ik gedaan had, dat ze me slecht zouden behandelen. Maar ik ben fantastisch opgevangen. Ze hadden me in de eerste kamer op de gang gelegd waar ik geen andere baby’s hoorde, geen andere moeders zag. En geregeld kwamen ze vragen: ‘Zullen we Stans nog eens halen?’, en dan brachten ze haar naar mijn kamer zodat we haar konden vasthouden.

En dan kwam het moment dat we naar huis moesten. We hebben Stans opgehaald aan het mortuarium en zijn met haar naar mijn ouders gereden. Die hebben een begrafenisonderneming en ze zou daar nog enkele dagen – tot aan de crematie – opgebaard liggen. Ik heb mijn vader in zijn leven maar één keer zien wenen, en dat was op de dag dat ik met dat mandje met Stans erin bij hen thuis stond. Hij brak voor mijn ogen in stukken uit elkaar.

Familie en vrienden zijn Stans nog komen bezoeken; we hebben naar iedereen een geboortekaartje gestuurd waarop stond: ‘Zo fier op onze kleine meid, maar zo weinig tijd’. Ik vond het heel belangrijk om dat te sturen. Want ondanks alle verdriet waren we ook heel trots op onze dochter. We hebben haar moeten afgeven, maar ze is er wél geweest.

Slechte film

“De avond voor de crematie heb ik Stans een lange brief geschreven waarin ik mezelf verontschuldigde. Ik heb haar proberen uitleggen dat we dit echt met de allerbeste bedoeling hebben gedaan en dat we haar een moeilijk leven wilden besparen. Dat ik aan moe Suske – mijn grootmoeder die kort daarvoor gestorven was – had gevraagd om goed voor haar te zorgen hierboven. En dat we haar zouden missen, in alles wat we deden.

Stans is samen met de brief en haar mandje gecremeerd op de eerste schooldag van Zjef, net na de herfstvakantie. Zjef wilde niet naar school, hij weende toen we aan de schoolpoort kwamen. Ik heb hem huilend in de armen van de juf geduwd en ben naar huis gereden om afscheid te nemen van Stans. Maar ik kón haar niet afgeven, het ging niet. Uiteindelijk is mijn vader met haar naar het crematorium gereden. Het was alsof we in een slechte film zaten: ‘s middags moesten we Zjef van school halen, daarna reden we door naar het crematorium om de as van Stans op te halen. Pas daar begon door te dringen wat er gebeurd was. Al die weken ervoor dacht ik: ik droom, dit gebeurt niet echt, het kan niet. Tot je een urne in je handen krijgt en beseft: dit was onze dochter.

Ik ging op zoek naar afleiding, hield mezelf bezig met vanalles en nog wat. Ik moest de meisjeskleertjes die we hadden gekregen weer inpakken, alle babyspullen weer opbergen, een kast maken voor Stans voor alle brieven, kaartjes, tekeningen die we hadden gekregen… Maar op een gegeven moment ben ik ingestort. Ik was alleen thuis – Zjef was naar school en Kris op het werk – en ging met een mand wasgoed naar de wasmachine in de kelder. En toen overviel het me: dat immense verdriet. Ik ben op de trap gaan zitten en heb gehuild als een dier. Ik kón het niet vatten, ik had nooit gedacht dat dit ons zou kunnen overkomen. Ik was samen zwanger met mijn zus, twee weken na Stans is haar neefje geboren. Het was zo onwezenlijk allemaal.”

Vervangkind

“Kris en ik hadden altijd gezegd dat we twee kinderen wilden. Maar ik wilde er niet meteen weer aan beginnen, dat zou een vervangkind geweest zijn. En bovendien waren we kapot van verdriet, elk op onze eigen manier. We wilden elkaar sparen, maar tegelijk wisten we ook dat enkel de ander hetzelfde voelde. Vrienden en familie leefden mee, we zijn heel goed opgevangen. Maar alleen wij tweeën waren erbij, wisten hoe het voelde. Hoe vaak heb ik niet gepanikeerd, heb ik Kris niet helemaal overstuur gevraagd: ‘Kris, we hebben toch het juiste gedaan?’ Als koppel hadden we het heel moeilijk, we kregen het niet verwerkt. Op een bepaald moment heb ik voorgesteld dat ik een tijdje bij mijn ouders zou gaan wonen. Maar Kris wilde dat ik bleef. ‘Dat is het begin van het einde’, zei hij. ‘We moeten hier samen door, Inge.’ En het is ons gelukt. We hebben hulp gezocht en zijn erdoor gesparteld. Het was heel moeilijk, maar nu zeggen we vaak tegen elkaar: we hebben die periode overleefd, nu kunnen we alles overleven.

Drie jaar na Stans was ik opnieuw zwanger. Het was een zwangerschap met de daver op mijn lijf. We wisten dat Stans een fout was van de natuur, er waren geen genetische afwijkingen. Het was brute pech, dus de kans dat het nog eens zou gebeuren, was heel klein. Maar toch werd de spanning op den duur onhoudbaar. Op 38 weken hebben ze me ingeleid, ik kón niet meer, ik was zo in paniek. Toen ze Wis op mijn buik legden, kreeg ik het heel moeilijk. Al het verdriet om Stans kwam weer boven, het was alsof ik haar verraadde. De eerste twee dagen had ik geen band met Wis, het ging niet. De derde dag heb ik haar bij mij gepakt en heb ik heel hard geweend. En ik ben beginnen vertellen tegen haar, net zoals ik tegen Stans gedaan had. Dat ik het moeilijk had, dat ik verdriet had om haar zusje dat er niet meer was. En vanaf toen was het grote liefde.”

Wat als?

“Deze maand zou Stans tien geworden zijn. Ik stel me nog heel vaak de vraag: hoe zou het geweest zijn als ze er toch was geweest? Hoe zou ze eruitgezien hebben? Hoe zou haar karakter geweest zijn? We nemen Stans mee in alles wat we doen, ze is nog heel aanwezig. Ze staat mee op verjaardagskaarten en kerstkaarten en we vieren elk jaar haar verjaardag met de familie, haar meter en peter. Er hangt altijd een schaduw over die dag, maar de mensen die er voor haar zouden toe doen, zijn er wel. We praten niet de hele tijd over haar, want we hebben haar niet echt gekend, veel herinneringen zijn er niet. Het is dubbel: soms vind ik het jammer dat we geen anekdotes hebben, soms ben ik er blij om: ik heb geen kind moeten afgeven dat écht deel heeft uitgemaakt van ons leven. We lachen ook op zo’n dag hoor, dan zeggen we tegen elkaar: gaan we dit nu nog doen als ze 50 wordt? Ik weet het niet, maar het voelt goed. Stans is erbij, en zo hoort het.

Ook al is er nu tien jaar voorbij, de ‘wat-als’ vraag blijft. Mijn schuldgevoel is minder sterk geworden met de jaren, maar soms overvalt het me nog: wat als wij de andere keuze gemaakt hadden? We kunnen de twee scenario’s niet naast elkaar leggen, we kunnen een leven met en een leven zonder niet vergelijken en zeggen: ja hoor, het was de beste keuze. En dat blijft knagen. We hebben het beste voor haar gedaan denken we, maar niemand gaat me ooit komen vertellen dat het effectief juist was.

Hulp nodig?

  • Boven de wolken: professionele fotografen zorgen voor een blijvende herinnering aan jullie baby, helemaal gratis, met hart en ziel.
  • Berrefonds: biedt met een herinneringsdoos, koesterkoffer, praatgroepen en nazorg steun op maat aan de ouders, broers en zussen die geconfronteerd worden met het verlies van een kindje.
  • Fara biedt therapeutische gesprekken aan na een zwangerschapsafbreking om medische of psycho-sociale redenen (abortus). Tijdens die gesprekken leer je je gevoelens een plaats te geven en verken je hoe je je toekomst nu verder vorm kan geven. Is de drempel voor een fysiek gesprek te groot? Je kan ook anoniem bij hen terecht via Faramail (vragen@fara.be), Farafoon (016 38 69 50) of via de Farachat (maandag-, woensdag- en vrijdagnamiddag tussen 13-16u). 

Tekst: Annelies Dyck

LEES OOK DE VERHALEN VAN DEZE STRAFFE MAMA’S:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief (onderaan de homepage) om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

 

LEAVE A REPLY

Please enter your comment!
Please enter your name here